17-05-10

Casanova de jager.

Als Casanova jaagt,

Geen vrouw die klaagt.

Hij trekt ze zo aan,

Overal vandaan,

Met zijn fluitje,

Klein en fijn.

 

Vele geruchten,

Die andere mannen niet luchten,

Hij is immers 'snel' en goed,

En dus zeker te duchten.

 

Eén vinger in de lucht,

En alsof in een klucht,

Is hij niet meer te zien,

Tussen al die vrouwen:

Zeker méér dan tien.

 

Om dan eentje uit te pikken:

Hij zegt de knapste,

Maar bedoelt de zwakste.

 

En hij jaagt ze op,

maakt ze geil,

tot haar mond gevuld is...

....met kwijl.

 

Om haar dan mee te nemen,

In allerijl.

Het ijzer moet men immers smeden,

Als het warm en heet is.

 

Eénmaal geschoten,

-'t doet er niet toe of ze heeft genoten-,

Laat hij ze liggen,

Zomaar......in eigen nat en kwijl.

 

En achteraf houdt ze de geruchten aan:

"'t is goed geweest, 't heeft deugd gedaan."

Om niet te moeten toegeven,

Dat ook zij, als een eland,

In de val is gelopen met al haar gewij.

 

Al dan niet beseffend,

Dat ze zo helpt netten spannen,

Om opnieuw een andere prooi te vangen,

Voor Casanova,

de onverbiddelijke jager.

 

Written and performed by myself :-).

De commentaren zijn gesloten.